En dan komt het moment dat je dochter van elf jaar heel graag mee wil met een kamp van de voetbalvereniging. Een week lang slapen in een kampeerboerderij, met 65 kinderen en de leiding van het kamp. Dat betekent een week lang plezier, sport en spel en weinig slaap, maar ook een weeklang drie keer per dag een maaltijd plus de bijkomende versnaperingen. Hoe ga je daar als ouder van een kind met voedselallergie mee om? Waar doe je verstandig aan? En hoe begeleid je je kind, maar ook de organisatie van een kamp?
Als ouders van een dochter met diverse (voedsel)allergieën hebben we wel even nagedacht over de vraag hoe we een kampweek van de voetbalclub kunnen organiseren zonder al te veel gedoe voor zowel onze dochter als de organisatie. Vanuit de organisatie blijkt al snel dat er geen problemen zijn met de aanwezigheid van iemand met voedselallergie. De leiding vertelt wel vaker met dit bijltje te hebben gehakt.
Snel betrekken we ook onze dochter in het proces en vragen waar haar voorkeur naar uitgaat. Daarbij geven we de keuze tussen zelf ter plekke alles afstemmen met de leiding en de keukenploeg – en dus aanhaken bij de maaltijden van de rest van de groep – of de optie dat we een tas met eten en ‘veilige’ maaltijden meegeven, zodat ze min of meer hetzelfde eet als thuis.
Daarover hoeft ze niet lang na te denken. Om te voorkomen dat ze opvalt of ‘anders’ is dan de rest kiest ze ervoor om zelf de regie in handen te nemen door elke dag goed op te letten en in overleg met de keukenploeg een maaltijd te regelen die past in haar dieet. Een begrijpelijke keuze van een bijna-puberdochter die vooral niet anders wil zijn dan de rest van haar omgeving.
Mijn man en ik steunen haar besluit. Wel spreken we nog een extra keer met de leiding over wat onze dochter nu precies wel en niet mag eten. Daarna mailen we een gezondheidsdocument én een lijst met allergieën. Het ziet er naar uit dat de leiding alles onder controle heeft en zich goed voorbereidt.
Lunchpakket mee
Op de dag van vertrek geef ik toch voor de zekerheid nog een eigen lunchpakketje mee, want de groep zal onderweg naar Brabant met de bus een stop maken om te zwemmen en te picknicken. Voor de lunch wordt gezorgd. Terwijl mijn man nog een laatste EpiPen-instructie geeft aan twee leiders komt er een andere leider op mij af en zegt: ‘Voor de lunch hebben we gezorgd, een broodje kaas en een broodje ham en een krentenbol, dat kan toch zeker wel?’ Oef, denk ik, wat ben ik blij dat ik een eigen lunchpakket heb klaargemaakt. En tegelijkertijd schiet het ook door mijn hoofd dat al onze voorbereidingen en instructies misschien niet duidelijk genoeg zijn geweest. Natuurlijk kan dit niet! Help! En de week moet nog beginnen…
Daar gaat ze
Het grote ‘loslaten’ is nu begonnen, want op dat moment stappen alle kinderen in de bus en vertrekken ze richting het zuiden. Mijn man en ik vinden het best spannend, maar onze dochter lijkt er totaal geen problemen mee te hebben. Vol vertrouwen stapt ze in de bus en zegt dat het allemaal wel goed komt. Er is ook een aparte tent mee voor het geval ze allergisch reageert op het gebouw (huisstofmijt, huisdieren, vocht). Onze dochter heeft geen telefoon mee en in principe is er geen contact met thuis. Een regel die ik van harte ondersteun: geen nieuws is goed nieuws.
Onze telefoon laten we ‘s nachts aan, maar na de eerste twee nachten durven we deze op de stilstand te zetten. Wat fijn denken we allebei, dat dit zo kan en dat ze nu voor het eerst zo lang alleen ergens logeert inclusief alle maaltijden. Op de Facebook-pagina zien we enkele foto’s en die getuigen van een geweldig kamp.
Onbekend nummer
Aan het einde van de week, de avond voor vertrek en tevens de bonte avond, gaat mijn mobiele telefoon af. Een onbekend nummer. Ik krijg mijn dochter aan de lijn die vertelt dat het nu goed met haar gaat, maar dat ze iets verkeerds heeft binnengekregen en dat de leiding uiteindelijk de EpiPen heeft gebruikt. Waarschijnlijk heeft er iemand gemorst met pindasaus…
Totaal overdonderd vraag ik haar als eerste waar ze is en hoe ze zich voelt. Ze vertelt dat het nu redelijk goed gaat en bovendien klinkt ze niet in paniek of heel verdrietig. Gek genoeg reageer ik rustig en vraag ik aan haar of ik iemand van de leiding kan spreken. Zo gaat dat dus, bedenk ik me. Datgene waarvoor je bang bent als je kind voedselallergie heeft, doet zich voor. Als ouder op honderdvijftig kilometer afstand kun je op zo’n moment niet heel veel doen. Na overleg, ook met onze arts, wordt besloten toch nog even op controle te gaan in het dichtstbijzijnde ziekenhuis, standaardadvies na het gebruik van de EpiPen.
‘Juist gehandeld’
Hoe het verder is afgelopen? Dat verhaal hoor ik als de leiding mij belt na het bezoek aan het ziekenhuis. De controle heeft geen aanleiding gegeven om haar in het ziekenhuis te houden. Alles was in orde en iedereen kon met een gerust hart terug naar het kamp voor de bonte avond. Van onze oudste zoon, die ook mee was op kamp, begrijp ik later dat zijn zus vlak voor vertrek naar het ziekenhuis flink moest overgeven, net buiten de auto. Hij is er behoorlijk van geschrokken.
De dienstdoende arts van het ziekenhuis belt mij naderhand op en beschrijft wat ze heeft waargenomen, maar complimenteert ook de leiding en de kinderen. Er is op de juiste manier gehandeld. Bij aarzeling toch de EpiPen gebruiken. Maar de schrik zat er goed in, vertelt ze nog.
Weer thuis
En hoe vergaat het iedereen na thuiskomst? Al snel stappen twee mensen van de leiding op mij af en geven eerlijk toe dat ze enorm zijn geschrokken en eigenlijk hadden gedacht dat het allemaal wel overdreven is, zo’n lijst met allergieën. Ze hebben hier heel veel van geleerd. Dat is een eerste positieve punt. De ervaring heeft hun kennis over voedselallergie vergroot en misschien ook wel hun sceptische ideeën ten aanzien van de ernst van allergische reacties. Tweede positieve punt is dat onze dochter zelf heeft ervaren dat ze heel goed, verstandig en op de juiste manier heeft gereageerd en gehandeld. Eerst de druppels en een pilletje, maar bij uitblijven van verbetering ook durven zeggen dat de EpiPen van pas moet komen.
We gaan niet meer uitgebreid in op wat er die avond is gebeurd, mede omdat onze dochter daar zelf niet meer echt over wil praten. Dat laten we maar zo. We vertellen vooral dat we heel erg trots zijn op haar, dat ze zich heel goed heeft gered en dat ze ook moet blijven vertrouwen op een goede afloop. In de hoop dat ze volgend jaar gewoon weer meegaat en in de verdere toekomst ook blijft denken in mogelijkheden in plaats van beperkingen.